De mythe van het makkelijke kind
Waarom wat voor volwassenen "makkelijk" voelt niet altijd hetzelfde is als wat jonge kinderen nodig hebben, en waarom zoveel ouders intuïtief voelen dat er iets niet klopt.
Soms twijfel ik toch even
Soms overkomt het me nog steeds.
Ik weet best veel over babyontwikkeling, hechting, stressregulatie en slaap. Ik kan uitleggen waarom jonge kinderen 's nachts wakker worden, waarom nabijheid biologisch logisch is, waarom "zelfstandig slapen" vaak meer een volwassen wens is dan een kinderbehoefte. Ik kan de theorie uitleggen, de onderzoeken, de mechanismen.
En toch.
Dan zit ik bij vrienden op de bank en hoor ik terloops:
"We waren in week vijf een weekend weg hoor, opa en oma vonden het heerlijk."
Of: "Hij ligt om 18:30 in bed en slaapt tot 07:00 uur, we geven alleen soms nog een flesje in de nacht"
Of: "Ze gaat overal mee naartoe, nooit gedoe."
En die ouders zien er ook nog fit uit. Uitgerust zelfs! Werk, sociaal leven, alles lijkt te lopen.
En ik ben vijftien maanden postpartum en ik slaap nog steeds zelden langer dan drie uur achter elkaar. Meestal minder.
Op zo'n moment schuift er even een stemmetje naar voren dat zegt: misschien doe ik het te ingewikkeld. Misschien maak ik het moeilijker dan nodig is. Die gedachte is ongemakkelijk. Omdat ik voel hoe snel je in deze cultuur uitkomt bij één impliciete conclusie:
Als het makkelijk gaat, gaat het goed.
En daar begon mijn twijfel te veranderen in nieuwsgierigheid. Want hoe meer ik naar die gedachte keek, hoe minder vanzelfsprekend hij voelde.
Wat betekent eigenlijk "makkelijk"?
Wanneer we zeggen dat een baby makkelijk is, bedoelen we meestal iets heel specifieks.
Een baby die weinig huilt. Een baby die snel doorslaapt. Een baby die zich makkelijk laat achterlaten bij anderen. Een baby die zich goed aanpast aan het ritme van de volwassenen.
Met andere woorden: een baby die weinig frictie veroorzaakt in het volwassen leven.
Dat is een begrijpelijke wens. De eerste jaren met jonge kinderen zijn intens. Slaaptekort is zwaar. De meeste ouders proberen simpelweg te overleven in een wereld waarin ze nog steeds moeten functioneren.
Maar als je er even bij stilstaat, zie je iets interessants. De dingen die wij "makkelijk" noemen, zijn bijna altijd dingen die voor volwassenen prettig zijn. Dat betekent niet automatisch dat ze ook iets zeggen over wat er in het kind gebeurt.
Temperament speelt een enorme rol
Voordat we verder gaan, is er een nuance die belangrijk is.
Kinderen verschillen. Sommige baby's hebben van nature een rustiger temperament. Ze raken minder snel overprikkeld, herstellen sneller van spanning, hebben een grotere slaapdruk of vinden het minder moeilijk om even zonder hun ouders te zijn. Andere kinderen zijn gevoeliger. Ze reageren sterker op prikkels, hebben meer nabijheid nodig om te reguleren en laten hun emoties duidelijker zien.
Dat is menselijke variatie.
Temperament kan dus een enorme rol spelen in hoe zwaar of licht de eerste jaren voelen. Maar temperament verklaart niet alles. Want naast temperament speelt ook de cultuur waarin kinderen opgroeien een rol.
Onze cultuur heeft een voorkeur voor één type kind
Als je goed kijkt naar hoe we over kinderen praten, is daar een patroon te vinden.
We prijzen baby's die weinig huilen. We noemen kinderen "makkelijk" als ze zich goed aanpassen. We vinden peuters "fijn" als ze weinig driftbuien hebben. We zuchten opgelucht als een kind "lekker zelfstandig speelt".
En als een baby wél huilt, zie je hoe snel we dat huilen proberen te stoppen. We wiegen, sussen, leiden af, zoeken een oplossing.
Dat is op zichzelf heel begrijpelijk. Huilen is namelijk ontworpen om iets met ons te doen. Het geluid van een huilende baby activeert ons zenuwstelsel. Het zet ons aan tot handelen. Het is een biologisch alarmsysteem dat ervoor zorgt dat we reageren.
Dat is precies de bedoeling.
Maar er is een subtiel verschil tussen een baby helpen en het huilen willen stoppen. Een baby helpen betekent: het gevoel erkennen, nabij zijn, troosten, reguleren, aanwezig blijven. Het huilen willen stoppen betekent vaak: het gedrag zo snel mogelijk laten verdwijnen.
In veel moderne opvoedcontexten is de focus langzaam verschoven naar dat tweede. We proberen het huilen op te lossen, af te leiden of te laten stoppen, terwijl emoties in de eerste plaats bedoeld zijn als communicatie.
Waarom emoties zo ingewikkeld kunnen voelen
Voor veel ouders raakt het huilen of de boosheid van hun kind ook aan iets persoonlijks.
De generatie ouders van nu is grotendeels opgegroeid in een tijd waarin emoties niet altijd welkom waren. Verdriet werd vaak weggewuifd. Boosheid werd gezien als ongehoorzaamheid. Gevoelens moesten snel weer onder controle komen.
Als je als kind leert dat bepaalde emoties spanning veroorzaken in de relatie met je ouders, dan ontwikkelt je zenuwstelsel daar een reactie op. Die reactie verdwijnt niet zomaar wanneer je zelf ouder wordt.
Dus wanneer je eigen kind ineens boos wordt, intens verdrietig is of ontroostbaar huilt, kan dat iets ouds in beweging zetten. Een oud gevoel van onveiligheid, van spanning, van "dit moet stoppen". Niet omdat je je kind niet wil helpen. Maar omdat je eigen zenuwstelsel die emotie nog steeds associeert met gevaar.
Veel ouders herkennen dat moment waarop ze denken: dit moet NU ophouden. Niet omdat zij echt vinden dat het kind iets verkeerd doet, maar omdat het gevoel in de ruimte ze te intens wordt.
Dat is vaak een echo van hoe wij zelf met emoties zijn opgegroeid.
Kinderen passen zich aan om verbonden te blijven
Voor jonge kinderen is verbinding met hun ouders hun primaire overlevingsmechanisme.
Een kind kan niet zonder de volwassenen om zich heen. Dus het brein van een kind is voortdurend bezig met één centrale vraag: hoe blijf ik verbonden?
Wanneer een kind merkt dat bepaalde gevoelens of behoeften spanning veroorzaken in de relatie, kan het zich gaan aanpassen. Niet bewust en strategisch, maar omdat het brein van het kind automatisch probeert de verbinding veilig te houden.
Soms betekent dat dat een kind minder signalen gaat geven. Soms dat het minder protesteert. Soms dat het heel zelfstandig lijkt.
In hechtingsonderzoek wordt dat een vermijdende strategie genoemd. Van buiten kan zo'n kind rustig, onafhankelijk of "makkelijk" lijken.
Dat betekent niet dat elk rustig kind onveilig gehecht is. Temperament blijft een belangrijke factor. Maar het laat wel zien hoe ingewikkeld gedrag kan zijn. Wat voor volwassenen comfortabel voelt, zegt niet altijd iets over wat er van binnen gebeurt.
De bredere context
Wanneer je dit allemaal naast elkaar legt, zie je dat het niet alleen over individuele ouders of individuele kinderen gaat.
We leven in een samenleving waarin zorg, afhankelijkheid en lichamelijkheid weinig ruimte krijgen. Het werkleven verwacht dat volwassenen blijven functioneren alsof er geen jonge kinderen zijn. Ouders moeten snel weer productief zijn, snel weer beschikbaar zijn. Tegelijkertijd wordt vaak verteld dat ouderschap je leven niet te veel zou moeten veranderen.
Daar ontstaat een behoorlijke spanning. Biologisch gezien zijn jonge kinderen namelijk het tegenovergestelde: intens afhankelijk. Cultureel gezien verwachten we dat die afhankelijkheid zo min mogelijk zichtbaar is.
Veel discussies over slaaptraining, borstvoeding en "zelfstandig leren zijn" draaien uiteindelijk om datzelfde spanningsveld. Het gaat zelden alleen over slaap of voeding. Het gaat over hoe een samenleving omgaat met afhankelijkheid.
Waarom dit zoveel ouders raakt
Veel ouders voelen deze spanning intuïtief. Ze merken dat hun kind nabijheid nodig heeft. Ze merken dat emoties tijd en aanwezigheid vragen. Ze merken dat sommige oplossingen die worden aangeraden eigenlijk niet goed voelen. En tegelijk leven ze in een wereld die voortdurend zegt dat het makkelijker kan. Beter kan. Dat is een verwarrende plek om te staan.
Maar er bestaat een ander perspectief. Een manier waarop het gedrag van kinderen betekenis heeft. Waarop afhankelijkheid geen fout is maar een fase. Waarop emoties niet iets zijn dat moet verdwijnen, maar iets wat begeleid kan worden.
Vanuit dat perspectief verandert de vraag. Niet meer: hoe krijg ik mijn kind zover dat het makkelijker wordt? Maar: wat probeert mijn kind mij eigenlijk te vertellen?
En dan misschien nog een tweede vraag, eentje die minstens even belangrijk is: wat heb ik nodig om hier als ouder bij te kunnen blijven?
Want ouderschap gaat uiteindelijk niet alleen over kinderen. Het gaat ook over omstandigheden creëren waarin ouders het kunnen dragen. Meer steun. Meer begrip voor afhankelijkheid. Meer ruimte voor de realiteit van jonge kinderen.
En het vertrouwen dat er niets mis is met een kind dat nabijheid nodig heeft.